Selecteer een pagina

Essay

 

Op de keukentafel staat een doos met foto’s van zo’n twintig jaar geleden. Ik zoek en vind mijn lievelingsfoto uit die periode; een beeld dat me al jaren fascineert. Ik zie mezelf als jonge negentienjarige vrouw buiten op de grond zitten. Om me heen liggen een oranje stanleymes, houten beitels, een witte pot stopverf en planken over de grond verspreid. Voorovergebogen repareer ik een klein metalen dakraampje, de mouwen van mijn shirt zijn opgestroopt. In de ene helft van het kozijn glanst een ruitje in het zonlicht, de andere helft is leeg en met zorg druk ik daar de stopverf in. 

 

Het was 1995. Ik was klaar met mijn vwo-opleiding en kon niet wachten om het ouderlijk huis uit te vliegen. Samen met een paar vrienden wilde ik ons eigen thuis maken, een plek om samen te koken, te leren, te spelen en te wonen. 

 

Met ons studentenbudget was een gezamenlijke woonplek onbetaalbaar, terwijl er ondertussen wel allerlei panden leeg stonden. In stilte stonden die te wachten op nieuwe plannen van de eigenaar of op betere financiële tijden voor speculanten. Voor ons was het vanzelfsprekend om zo’n wegkwijnend pand te kraken en op die manier een woonplek te creëren. 

 

Glas snijden en ramen repareren

Terwijl ik naar de foto in mijn hand staar, verbaas ik me over het gemak en het enthousiasme waarmee ik als 19-jarige alle klussen in ons gekraakte pand aanpakte. Zo leerde ik niet alleen glas snijden en repareerde voor het eerst van mijn leven een raam. Ik klom ook het metershoge dak op, schoof daar de pannen op hun plek zodat het niet meer lekte en hielp een huisgenoot met het repareren van de waterleiding. 

 

Als ik maar lang genoeg naar de foto kijk, voel ik onder mijn vingertoppen de bobbelige oude verf op het metalen kozijn, de lege haakse hoeken waar het glas miste en de zachte taaie stopverf die ik in die leegte drukte. Het dakraam was een kapot stukje van onze woning, fysiek en tastbaar in mijn handen. Zoals je een zieke geliefde kunt verzorgen, zo verzorgde ik ons huis. Mijn vingerafdrukken in de zachte stopverf, misschien voor altijd te zien als zichtbaar bewijs van die zorg en verbondenheid. 

 

Ondertussen ben ik 42, werk als tekstschrijver en marketing-communicatiedeskundige en ik woon samen met mijn man en kleuterzoon in ons tweede koophuis. Een woning die we vorig jaar door een vakman hebben laten schilderen en waarin ook de nieuwe keuken door een professional is geïnstalleerd. Ik fantaseer hier al een paar jaar over het gezamenlijk bouwen van een houten tuinschuurtje of het zelf vervangen van de kunststof vensterbanken door ruwe houten planken. Maar ik doe het niet. 

 

Is het niet te gemakkelijk?

Toen een paar jaar geleden die professionele schilder bij ons kwam en namens ons de ladder op klom, was er een strenge stem in me die zich afvroeg of dat wel mocht. “Meneer Piet”, zoals ons zoontje de man vol bewondering noemde, schuurde namens ons elk stukje witgeverfd hout en schilderde het vervolgens hemelsblauw. Het was fijn dat onze woning verzorgd werd terwijl wij onze handen vol hadden aan een dreumes en andere levensverschuivende zaken. Maar was het niet te gemakkelijk om iemand te betalen om voor ons huis te zorgen en daarmee niet zelf de contouren van ons huis onder mijn verfkwast te voelen? 

 

Ik mis de zorg en de fysieke verbinding met mijn huis. Waarom lukt me dat dan niet, terwijl ik weet en zie hoe waardevol het is om de dingen zelf te doen? In onze tuin staat bijvoorbeeld de grote houten bank die mijn man maakte voor mijn veertigste verjaardag. Hij had een paar dagen nagedacht over een ontwerp van het hout dat onze buren weg wilden gooien. Een middag lang met aandacht zagen en schroeven, en toen was de bank klaar. Die tuinbank is voor mij nu als een relikwie; een voorwerp dat met een heilige in aanraking is geweest en dat wonderdadige kracht heeft. 

 

De tijd geven om te groeien 

In haar essay Het wilde ding probeert ook journalist en wetenschapper Hilde Bouchez deze ongrijpbare mystieke kwaliteiten van gebruiksvoorwerpen te beschrijven. Bouchez ziet daarbij een onderscheid tussen wilde dingen en getemde dingen, waarbij een getemd ding datgene is wat we kopen in de winkelstraten; de dingen die over de hele wereld hetzelfde zijn. Ze vergelijkt getemde dingen met getemde dieren die ons als exotische dieren in het circus verleiden met hun uiterlijk. Maar, schrijft ze, wanneer we ze in de ogen kijken, is er een eenzame leegte tussen het getemde en onze eigen ziel. 

 

Wilde dingen zijn volgens Hilde Bouchez juist dingen die verbinding met ons maken. “Aan wilde dingen is de tijd gegeven om te groeien, om te ontstaan en daarom geven ze de gebruiker diezelfde soort tijd: om te dagdromen, te reflecteren, onze harten te openen, in diepe stilte.” 

 

Ben ik dan in deze fase van mijn leven getemd? Geef ik de dingen om me heen geen zorg en tijd meer, waardoor ik er niet voldoende verbinding mee kan maken? Als ik naar bepaalde delen van mijn huis kijk, zie ik inderdaad die eenzame leegte van getemde dingen. De kunststof vensterbanken, de bruine fineer-deuren; ze zijn niet met zorg en aandacht aangeraakt. En tegelijkertijd wonen we ook nog maar vijf jaar in dit huis, er is een beperkte hoeveelheid tijd voorbij gegaan. 

 

Een hoeveelheid tijd waarin mijn wereld juist zoveel groter is geworden. Als het uitdijende heelal wordt mijn wereld langzaam en bijna ongemerkt steeds groter. Mijn vingerafdrukken zijn meer aanwezig dan ooit, alleen zitten ze op andere dingen in mijn universum. Op het verhaal dat ik voor mijn werk heb geschreven over een biologische boekweitboer in Duitsland. Op de harten van vrienden die ik probeer te steunen bij ziekte of verlies. Op mijn zoontje die samen met mij naar meneer Piet kijkt, terwijl die zijn ladder opklimt en hemelsblauwe vingerafdrukken achterlaat op de steel van zijn kwast.